Carola van Andel
Advocaat
Macy Groenendaal
Juridisch medewerkerIn een recente uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2025:4751) oordeelde de civiele rechter over een toezegging die Waterschap De Dommel deed aan een grondeigenaar wiens perceel het zonder toestemming gebruikte voor onderhoud van een kavelsloot. Het Waterschap had, na klachten van de grondeigenaar, laten weten dat het onderhoud voortaan vanaf eigen grond zal plaatsvinden. Een aantal maaibeurten verder maakte het Waterschap toch weer gebruik van het perceel van eiser. De grondeigenaar had er genoeg van en startte een procedure.
Wat ging hieraan vooraf?
Waterschap De Dommel is verantwoordelijk voor het onderhoud van een kavelsloot. Bij het maaien daarvan rijdt het waterschap met een machine over het perceel dat ten noorden daarvan ligt. Dat perceel is in eigendom van eiser, die daar gras op teelt voor zijn melkvee- en vleesvarkensbedrijf. Aan weerszijden van de kavelsloot loopt een smalle strook van 1,20 meter. Die smalle stroken zijn in eigendom en beheer van het Waterschap. Tot 2000 maaide het Waterschap vanaf die smalle stroken. Sinds 2000 gebruikt het Waterschap bredere machines en rijdt het daarmee over het perceel van eiser.
Eiser klaagde hierover bij het Waterschap omdat het gebruik van de zware machines op zijn perceel schade aan zijn gewassen veroorzaakt. Het Waterschap heeft in 2015 een brief gestuurd aan eiser waarin staat dat: “het onderhoud van de watergang voortaan zal plaatsvinden vanaf de grond van het Waterschap.” In 2015, 2016 en 2017 heeft het Waterschap conform deze afspraak gehandeld. Maar vanaf 2018 maakte het Waterschap bij het onderhoud van de watergang toch weer gebruik van het perceel van eiser, ondanks de bezwaren van eiser. In 2021 heeft het Waterschap handmatig vanaf het eigen perceel gemaaid, in 2022 gebruikte het Waterschap opnieuw het perceel van eiser. Eiser wil het Waterschap houden aan de in 2015 gedane toezegging. In reactie daarop heeft het Waterschap laten weten dat en waarom het zich niet gehouden acht uitvoering te geven aan die afspraak.
Intussen kwam het ook tot een bestuursrechtelijke procedure tussen het Waterschap en eiser: het Waterschap heeft in 2020 het besluit genomen de beschermingszone aan de zuidzijde terug te brengen naar 1 meter breed en de beschermingszone aan de noordzijde (zijnde het perceel van eiser) 5 meter breed te laten. Eiser kwam hier tegen in beroep omdat verkleining van de zone aan de zuidzijde ertoe leidt dat alleen zijn perceel voor het onderhoud van de watergang wordt belast. Het besluit bleef in stand.
Moet het Waterschap de afspraak nakomen?
Eiser vordert in de civiele procedure dat het Waterschap de in 2015 gedane toezegging nakomt, op straffe van een dwangsom. Het Waterschap is het daarmee niet eens en voert onder meer aan dat het gaat om een publiekrechtelijke bevoegdheid waarvoor in deze civiele procedure geen plaats is, dat de bestuursrechter reeds heeft geoordeeld waardoor het procesbelang ontbreekt, dat de toezegging een onverplichte werkafspraak was die alleen voor dat moment gold en dat van het Waterschap niet kan worden verlangd dat het de afspraak nakomt, omdat handmatig onderhoud te arbeidsintensief en tijdrovend is.
Toezegging door een overheidslichaam
In de beoordeling wijst de rechtbank op het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1957). Daarin zijn handvatten gegeven volgens welke maatstaf moet worden beslist of een overheidslichaam gehouden is een toezegging na te komen. Meer over deze uitspraak leest u in dit blog. Volgens de Hoge Raad dient zowel volgens de bestuursrechtelijke als de civielrechtelijke maatstaf bij de beoordeling tot uitgangspunt te worden genomen, dat het overheidslichaam gehouden is de toezegging na te komen, dat het belang van degene die aanspraak maakt op nakoming zwaar weegt, en dat zwaarder wegende andere belangen, waaronder belangen van derden of algemene belangen, aan nakoming in de weg kunnen staan.
Het oordeel van de rechter: Waterschap handelt onrechtmatig
De rechtbank oordeelt dat het Waterschap onrechtmatig handelt jegens eiser, gelet op de gedane toezegging. De belangenafweging valt uit in het voordeel van eiser. De rechtbank overweegt dat het Waterschap het beroep op aangescherpte regels, die het gebruik van een smalspoormachine zouden verhinderen, niet heeft onderbouwd. Deze onderbouwing had wel van het Waterschap mogen worden verwacht, aangezien het Waterschap op de zitting heeft verklaard dat van de 2500 kilometer aan watergangen nog ongeveer 1000 kilometer met smalspoormachines wordt onderhouden. Waarom dat hier niet zou kunnen vanwege de aangescherpte regels, is niet duidelijk gemaakt. Van een zwaarwegend financieel belang is ook geen sprake. Handmatig maaien is weliswaar duurder (€ 1,20 – 1,50 per meter tegenover € 0,60 per meter), maar de toezegging ziet in totaal slechts op 60 tot 70 meter watergang. Het betoog van het Waterschap dat het zoveel mogelijk op dezelfde manier onderhoud wil uitvoeren, volgt de rechtbank niet. Van een vaste onderhoudspraktijk, waarbij altijd op dezelfde wijze wordt gewerkt, lijkt geen sprake te zijn, gelet op het wat het Waterschap ter zitting heeft verklaard. De rechtbank veroordeelt het Waterschap de toezegging na te komen en legt een dwangsom van € 1.000,- per onderhoudsbeurt dat het perceel van eiser wordt betreden, op aan het Waterschap.


